Column Jan Dirk van der Zee (01): Onder de tafel

"Met zo’n voornaam snap je niks van voetbal", zegt de voorzitter van een van de grootste voetbalverenigingen uit het oosten van het land. Hij doelt op Lodewijk Asscher, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. We hebben zojuist kennisgemaakt.

Samen met zijn zwijgzame penningmeester zitten we in de bestuurskamer. De voorzitter is verre van blij: "Jullie praten er lekker makkelijk over in Zeist – netjes blijven, de wet volgen – maar verplaats je eens in mijn situatie. Geloof me, je zou hetzelfde doen. We moeten onze trainers straks onder de tafel betalen."

De nieuwe Wet werk en zekerheid is een van de grootste irritatiefactoren bij verenigingen.

Sinds ik directeur amateurvoetbal ben geworden bij de KNVB, is de nieuwe Wet werk en zekerheid, een van de grootste irritatiefactoren bij verenigingen. Overal waar ik kom, wordt het vrijwel direct ter sprake gebracht en onze 24 verenigingsadviseurs horen wekelijks klachten. Belangrijkste pijnpunt in de wet zijn de nieuwe voorwaarden voor de arbeidscontracten van de flexibele medewerkers (zoals trainers). Volgens de wet moeten amateurclubs hun werknemers na twee contracten een verbintenis voor onbepaalde tijd geven of anders zes maanden buitenspel zetten voordat ze weer een contract voor bepaalde tijd mogen aanbieden. Voor 2015 was die periode precies de lengte van de zomerstop, drie maanden.

"Ze moeten in Den Haag toch begrijpen, dat een trainer een half jaar buitenspel zetten, niet werkt in de amateursport?", verzucht de voorzitter ondertussen in de bestuurskamer. "Of denken ze soms, dat we van plan zijn om vaste contracten met onze trainers af te sluiten? En risico willen lopen op dikke afkoopsommen?"

Wordt er gemeten met twee maten in het voetbal?

Ik begin maar niet over de gevolgen van een vast contract en de verplichtingen die je als werkgever hebt wanneer iemand ziek wordt. Je wordt dan verplicht om het salaris twee jaar lang door te betalen. Mocht na afloop van die periode blijken, dat je te weinig hebt gedaan om de werknemer weer gezond aan het werk te krijgen, volgen er boetes.

De voorzitter schudt zijn hoofd. Hij vindt dat er in Nederland met twee maten wordt gemeten en begrijpt niet waarom de regels van de Wet werk en zekerheid voorbijgaan aan de clubs in het betaalde voetbal.

Eerlijk gezegd, ik ook niet. Evenals ik niet zo goed begrijp, waarom de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet alles in een keer goed regelt. Zo kondigde hij een paar weken geleden correcties voor de wet aan – die werkgevers de ruimte geeft om werknemers een contract aan te bieden van negen maanden, als dit door klimatologische omstandigheden wordt bepaald – maar laat vervolgens in het midden of de voetbalsport onder die seizoensarbeid valt. En mocht je er onder vallen, dan moeten sportorganisaties dit zelf in de cao regelen.

"Schiet lekker op", schmiert de voorzitter.

Het goede nieuws? Minister Asscher wil zich persoonlijk hard maken voor een oplossing van de problemen in de amateursport.

"Maar het goede nieuws is", zeg ik. "Dat Asscher in de Tweede Kamer heeft aangegeven, zich te kunnen voorstellen, dat amateurvoetbal tot seizoensarbeid wordt gerekend en zich persoonlijk hard wil maken voor een oplossing van de problemen in de amateursport."

"Dus?"

"Geef ons nog een paar maanden, dan hebben we de afspraken helder op papier staan, scheelt jou een hoop gedoe onder de tafel."

 


Terug naar boven