Beenbreuk in ’87 leidt tot bijzondere vriendschap in 2019

Ruud Scheper
KNVB Media
24 maart, 14:00

Klaas Jan Schoemaker (l) en Frank Mastenbroek (r) in zorgcentrum Reggersoord. - Foto: Frens Jansen

Het was april 1987 dat Klaas Jan Schoemaker het been brak van Frank Mastenbroek. “Op twee plekken. Knak, zo doormidden.” Nu, 32 jaar later, liggen ze bij elkaar op een kamer in zorgcentrum Reggersoord in Meppel en is er een bijzondere vriendschap ontstaan. “Raar kan het lopen hè?”

Frank Mastenbroek herinnert het zich nog als de dag van gisteren. Minuut voor minuut kan hij het zich zo voor de geest halen. Vanaf het telefoontje dat hij ’s ochtends kreeg van de leider van het derde elftal van Oranje Zwart uit Wanneperveen. Ze kwamen mensen tekort. Of hij niet mee wilde doen in het uitduel met Ruinerwold? ‘Nee, joh’, wimpelde Mastenbroek het verzoek af. ’s Middags moest hij nog vlaggen bij het eerste en dat kon bovendien kampioen worden. Dat wilde hij niet missen. ‘Dan ben je al lang weer thuis’, klonk het aan de andere kant van de lijn. ‘Oké’, gaf hij toe. ‘Hoe laat moet ik er zijn?”

Geen kampioensfeestje

Ik weet nog dat mijn moeder tegen hem zei: ‘Je hoeft je nergens schuldig over te voelen, jongen

Op het kampioensfeestje van Oranje Zwart 1 kwam hij nooit terecht. “Een hoge bal vanaf links”, weet hij. “Ik wilde wegdraaien, maar Jan stapte over de bal heen en kwam vanaf de zijkant terecht op mijn been. Pure pech. Ik verwijt hem niks.” Zijn kompaan knikt. “Ik hoorde knak. Dat geluid zal ik nooit vergeten.” De pijn viel tot in het ziekenhuis wel mee, herinnert Mastenbroek zich. “Ik heb alles zelf geregeld. Hoe? Puur op adrenaline denk ik. In het ziekenhuis ging ik pas van mijn stokkie. Daar knipten ze mijn dubbele sokken open en zakte de boel zo naar de zijkant.”

Waar zijn scheenbeschermers in het hele verhaal waren gebleven? Schoemaker lacht. “Nee, joh. Die had toen bijna niemand om. Negentig procent had de sokken op de enkels hangen, net als Willem van Hanegem vroeger.” ’s Avonds ging hij bij de patiënt, die inmiddels was geopereerd, op bezoek. “Waarom?” Geërgerd schudt hij zijn hoofd om zo veel dommigheid. “Dat hoort zo. Goed fatsoen.” Een mooi gebaar, vond Mastenbroek het. “Ik weet nog dat mijn moeder tegen hem zei: ‘Je hoeft je nergens schuldig over te voelen, jongen. Het had ook zo maar andersom kunnen zijn’.”

Glazen oog

In de jaren die volgden kwamen ze elkaar nooit meer tegen. Niet op een voetbalveld, hoewel beide mannen in de jaren die volgden op en rond het veld actief bleven bij Oranje Zwart, Alcides en v.v. Ruinerwold, noch in een andere setting. Tot een week of vijf geleden. “Ik werd op een kamer geplaatst bij ene Klaas Jan Schoemaker”, vertelt Mastenbroek. “Hé, ik ken uit het verleden nog een Klaas Jan Schoemaker”, zei ik. “Die heeft mijn been gebroken.” Het duurde even voordat het kwartje viel. “Eigenlijk pas toen ik zei dat die Klaas Jan een glazen oog had.” Schoemaker lacht. “Ik dacht; verrek dat ben ik.”

Ik nam het hem toen én nu nog altijd niet kwalijk. Zulke dingen gebeuren

Ze kijken elkaar even aan. “Wat er toen gebeurde? Ik heb hem direct een klap voor zijn kop gegeven”, grijnst Mastenbroek. “Nee joh. Ik nam het hem toen én nu nog altijd niet kwalijk. Zulke dingen gebeuren. Maar hoe toevallig is het dat je elkaar dan 32 jaar later op deze manier weer tegenkomt. Daar kunnen we nog steeds niet over uit.”

Bijzondere vriendschap

In de weken die volgden ontstond een bijzondere vriendschap. “Dat is het mooie hieraan”, vindt Schoemaker. De reden dat beide mannen - toevallig ook allebei nog eens 64 - in het verpleeghuis liggen, is minder vrolijk. Bij Schoemaker begon het allemaal al in 2002. “Een aneurysma in de bovenkamer”, vertelt hij. “Sindsdien is het eigenlijk nooit meer helemaal goed gekomen. Begin dit jaar liet ik mijn hond uit, maar kon ik de weg terug niet meer vinden. Een epileptische aanval naar aanleiding van een blaasontsteking, denken ze hier. Sindsdien ben ik niet meer thuis geweest.”

Het verhaal van Mastenbroek is soortgelijk. “Op 12 januari voelde ik me niet goed, waarna ik de gang ben ingelopen. Daar ben ik gevallen tegen de muur.” Geluk bij een ongeluk was dat de buurman de knal hoorde. ‘Gaat het wel goed?’, schreeuwde hij door de muur. ‘Ziekenhuis’, wist Mastenbroek nog uit te brengen. Het bleek een herseninfarct, in de weken daarna gevolgd door een hartaanval, een maagbloeding en uitval van nieren en lever. “Als mijn buren er niet waren geweest, had ik hier niet meer gezeten”, weet hij. “Ze hebben me voor de dood opgeraapt in het ziekenhuis. Ik heb het gevoel dat ik in de bonus leef.”

Samen voetbal kijken

Real – Ajax, wat was dat mooi hè. Ongekend

Na een aantal weken in het ziekenhuis in Zwolle mocht hij naar het verpleeghuis in Meppel, waar hij het direct uitstekend kon vinden met zijn nieuwe kamergenoot. Wat ze zoal samen doen? “Voetbal kijken”, klinkt het in koor. “Real – Ajax, wat was dat mooi hè. Ongekend.” Inmiddels is Mastenbroek zo opgeknapt dat hij vrijdag weer naar huis mocht. “Mooi”, vindt ook zijn maatje. “Maar ik ga hem wel missen hoor.” Mastenbroek knikt. “Ik jou ook. Maar dit keer houden we zeker wél contact.”

Gerelateerd nieuws

Laatste artikelen

Terug naar boven