Er is iets mis gegaan.

Het lukt niet om de pagina die je zocht op KNVB.nl te laden.

Op dit moment is de website in onderhoudsmodus. Probeer het later nog eens.

Gebruik je een adblocker? Probeer deze uit te zetten en laad de pagina opnieuw.

BIN-NEN-KO-MEN! 

KNVB Media
KNVB Media
27 oktober, 9:00

Frank Heinen - Foto: KNVB Media

Een jaar of vijftien geleden belandde ik op een feestje waar ik alleen de jarige kende. Arriveren op feestjes waar je niemand kent, is ongeveer zo leuk als met kurkdroge sokken in een natte badkamerkledder gaan staan.  

Na een tijdje zwijgend in een dode hoek van de kamer te hebben rondgehangen, werd ik klemgezet door een reusachtig lange jongen in wie ik na een paar tellen een voormalig teamgenoot herkende. Ooit, toen de reus en ik even groot waren, doorliepen we eendrachtig de hoogste jeugdteams van de lokale club. Op een zeker moment was hij verdwenen. Ik had hem daarna nooit meer gezien, kennelijk had hij in de tussenliggende jaren een groeihormonendieet gevolgd. 

‘Voetbal je nog?’ sprong hij ineens over alle inleidende beleefdheden heen. 

Op dat moment voetbalde ik al een jaar niet meer. Het ritme van twee keer trainen en op zaterdag wedstrijd was me na tien jaar plots de neus uitgekomen, en bovendien werd ik bij de fysiek spelende senioren steeds vaker afgebluft door jongens die ik in de jaren ervoor als druppels regenwater van me afschudde. 

‘Ik ook niet hoor,’ zei mijn kolossale ex-ploeggenoot. ‘Maar ik ga weer beginnen. Met wat schoolvrienden. Die geen van allen kunnen voetballen. Doe je mee? Het is wel in de zaal.’ 

Sinds dat feestje ben ik zaalvoetballer. Nog een jaar en dan ben ik langer zaalvoetballer dan ik ooit niet-zaalvoetballer ben geweest. Misschien was ik het stiekem altijd al, een zaalvoetballer in het lichaam van een veldspeler. Zou kunnen. Ook op het veld haalde ik al vaker dan nodig een balletje onder mijn voet door. 

Het is algemeen bekend dat de meeste mensen denken dat ze bovengemiddeld slim, aardig en knap zijn. Zaalvoetbal vormt hierop geen uitzondering.  Je flitsen van helder inzicht onthoud je, net als een uitzonderlijk soepele aanname of een geplaatst schot. De delen van wedstrijden waarin je blijk geeft van technische onbeholpenheid worden direct gewist, de douches na afloop spoelen al het slechte weg en laten de zeldzame momentjes van aanleg zitten. 

Bij mij ligt dat nét anders. 

Ik ben écht goed. 

Ik (34) word nog elke week beter. Ik sluit niet uit dat ik voor mijn lol naar mezelf zou gaan kijken, als ik mezelf niet al was. 

Altijd als ik thuiskom van een wedstrijd, informeert mijn vriendin hoe het was. Ze bedoelt: of het gezellig was, hoe het gaat met de jongens die ik vijftien jaar geleden voor het eerst ontmoette, die ik nog altijd om de week zie en die mijn vrienden zijn geworden, en echtgenoten, en vaders. Of ik heel gebleven ben, en of we gezellig hebben bijgepraat. Wat ik in plaats daarvan doe, nu dus al vijftien jaar: haar vertellen over die ene actie, het tot in detail beschrijven van een fraai doelpunt of een nergens toe leidend handigheidje. Soms, als ik nóg beter heb gespeeld dan normaal, bel ik op de terugweg mijn ouders, om zo terloops mogelijk mijn doelpunten in het gesprek te weven. Ongeveer zoals vroeger, nadat mijn moeder vijf keer achter elkaar ‘BIN-NEN-KO-MEN!’ door de straat had geroepen. En als ik dan eindelijk kwam, vroeg ze of het leuk was geweest. Heb je lekker gespeeld? Lekker? Wil je niet liever weten hoe goed ik was? Zal ik je anders tot in het kleinste detail vertellen hoe goed ik was? 

Toen ik een paar maanden geleden aanwezig was bij de opnames van een promo voor Futal EURO 2022 in de Ziggo Dome, stond ik langs de kant. Midden in de zaal, beschenen door helle concertlampen, stonden de spelers van het Nederlands team te wachten tot ze in actie moesten komen. Heel even dacht ik: wie weet, als ik heel nonchalant een balletje terugschiet, of een verdwaalde mispeer uit de lucht pluk… En tuurlijk, ze zijn goed. Heel goed, vermoedelijk. Het is zelfs niet uitgesloten dat ze even goed zijn als ik.  

De opnames begonnen. De spelers tikten de bal wat naar elkaar toe, schoten een paar keer op doel en maakten wat acties. Alles op halve kracht, met de achteloosheid die eigen is aan mensen die zijn vergeten hoe moeilijk het is te doen wat zij elke dag opnieuw doen. Steeds verder schoof ik op naar de schaduw, naar een plek waar de schaamte over mijn onuitgesproken hoogmoed niet goed te zien was. 

Ik schrijf veel over voetbal. Af en toe word ik daarover bevraagd door mensen die ook best over voetbal zouden willen schrijven. De inleidende vraag is altijd dezelfde. 

Voetbal je zelf ook? 

Voetbal ik? Is futsal voetbal, of een spel dat er in de verte op lijkt? Voordat ik het zelf speelde, was ik ervan overtuigd dat futsal een afgeleide van ‘echt voetbal’ was. Dat futsal voetbal was voor mensen die geen zin hadden veel te rennen. Futsal als de reiseditie van het spel Wie is het?: in principe hetzelfde spel in pocketvorm, maar om de een of andere, mysterieuze reden toch veel minder aansprekend. 

Dat is niet zo. 

Futsal is niet de hoog-en-droge pocketversie van veldvoetbal, bedoeld voor winterstops en kleumende veteranen. Het is geen afgeleide. Het is de kern van wat sport moet zijn. Het is een sporttak op zich, met eigen regels, eigen sterren, een eigen universum. Topsport, vermomd als spelletje. Nergens ervaar ik meer vrijheid dan wanneer ik speel binnen de zwarte lijnen van onze vaste sporthal. Nergens anders bestaan er op zo’n klein oppervlak zo eindeloos veel mogelijkheden. Nergens keren kansen sneller. Nergens piepen zolen pieperiger, nergens komen ik en de jongens die al lang geen jongens meer zijn dichter bij de jongetjes die we ooit op straat moeten zijn geweest.  

Ik ken geen andere sport waarbij je zoveel spéélt. 

Nu komt Futsal EURO 2022 naar Nederland. Een van de slogans voor dat toernooi is: A new game is coming. Maar futsal is geen nieuw spel. Hoogstens een oud spel met een nieuwe naam, of een spel dat niet elke dag op televisie is. Maar nieuw? Nee. Het is een sport die iedereen kent, die iedereen ooit heeft gespeeld, een spel dat het decor vormt van ieders jeugd, dat bestaat op straat, op trapveldjes, op schoolpleinen, op smalle stadsstoepen. Dat, wat je toen deed, met vriendjes, daar gaat het om. En dat je moeder je riep.  

BIN-NEN-KO-MEN! 

Gerelateerd nieuws

Laatste artikelen