Voor de wedstrijd

Natuurlijk willen je spelers liefst elke wedstrijd winnen, maar jij mag je daarin niet laten meevoeren. Het wedstrijdresultaat is ondergeschikt aan jouw verantwoordelijkheid: elke speler doelgericht bezig te laten zijn met de bal en alle spelers stimuleren samen te spelen.

Je leert ze samen aan te vallen, te verdedigen en om te schakelen (liever gezegd: snel weer meedoen na balverlies of balverovering). Niet het voorkomen van nederlagen is je opdracht, maar je team steeds weer laten proberen om doelpunten te maken en tegendoelpunten te voorkomen. Elke week opnieuw. Je speelt dus voor, tijdens en na de wedstrijd een belangrijke rol. Hoe zorg je voor een goed en sportief verloop van wedstrijd?

 
 

Hoe kun je het beste coachen voor, tijdens en na de wedstrijd? — Video: dd/mm/yyyy

De structuur van voetballen

Het is niet verstandig om je spelers vlak voor de wedstrijd vol te stoppen met allerlei instructies. Moedig ze slechts aan tot enkele basistaken. Voordat je hieraan toekomt, neem je het doel van de wedstrijd, opstelling, posities en wissels met ze door.

De structuur van voetballen ondersteunt je in het duidelijk maken wanneer je wat verwacht van je spelers. Deze structuur kan als volgt in beeld worden gebracht:

De structuur van voetballen ondersteunt je in het duidelijk maken wanneer je wat verwacht van je spelers.

Aanvallen en verdedigen

In het voetballen gaat het om het maken van meer doelpunten dan tegenpartij. Voetballers proberen dit te doen door het uitvoeren van voetbalhandelingen zoals vrijlopen, passen en schieten.

Omdat voetbal nu eenmaal een teamsport is, is de logische structuur van voetbal gebaseerd op voetbalhandelingen die op teamniveau worden uitgevoerd: aanvallen en verdedigen. Het aanvallen en verdedigen door een team worden ook wel teamfuncties genoemd. Deze teamfuncties worden geïllustreerd aan de hand van een cirkel (zie figuur). Een cirkel staat model voor herhaling en symboliseert een continu proces.

Aanvallen bestaat uit een reeks van voetbalhandelingen die alleen in balbezit kunnen worden uitgevoerd.

Aanvallen: bestaat uit een reeks van voetbalhandelingen die alleen in balbezit kunnen worden uitgevoerd (opbouwen) en is gericht op het maken van een doelpunt.

Verdedigen: bestaat ook uit een reeks van voetbalhandelingen. Het gaat hierbij dus niet alleen om de voetbalhandelingen van de verdedigers en de keeper. Verdedigen kan al beginnen bij het doel van de tegenpartij door de aanvallers. Daarom wordt er binnen de teamfunctie verdedigen het onderscheid gemaakt tussen twee fasen die aangeduid worden als de teamtaken storen en doelpunten voorkomen.

Afspraken en uitgangspunten vooraf

Voordat het seizoen begint is het slim om onderstaande punten met je spelers te bespreken en/of in je achterhoofd te houden:

  • Voorkeursposities. Bespreek met je spelers al aan het begin van het seizoen op welke positie iedereen graag staat en houd hier zoveel mogelijk rekening mee. Zorg dat elke speler weet wat hij op zijn plek moet doen en probeer dit uit te leggen op het leeftijdsniveau dat bij ze past.
  • Verdelen van posities. Als je de spelers bij de opstelling betrekt en hen inspraak geeft, krijg je een opstelling waar iedereen zich prettig bij voelt. Houd individueel belang en teambelang in balans. Wat als een niet te passeren verdediger graag in de spits wil? Gun hem dat en help hem er echt bij, terwijl je hem blijft stimuleren in zijn verdedigende kwaliteiten.
  • Rouleren. Laat spelers tot ongeveer O15 op verschillende posities spelen, dit draagt bij aan hun voetbalontwikkeling. Minder verstandig is deze afspraak: ‘Als we de tweede helft twee doelpunten meer hebben dan zij, mag jij het laatste kwartier in de spits.’ Ontwikkelingskansen mogen nooit afhankelijk zijn van de stand. Waak er ook voor dat je de twee ‘zwakste’ spelers stigmatiseert door ze tegelijk wissel te zetten. Zet een sterke speler en een laatbloeier samen reserve.
  • Aanvoerderschap. Veel jonge spelers vinden het leuk om aanvoerder te zijn. Je kunt dit in het begin rouleren, zodat iedereen voelt hoe het is om verantwoordelijk te zijn. De taak als aanvoerder van O9 of O11 moet niet te zwaar zijn; het is vooral een symbolische functie. Kies vanaf O13 samen met de spelers een aanvoerder. Houd in de gaten of de aanvoerder de taken ook echt aankan en uitvoert.
  • Wissels. Ten eerste een dwingend advies: geef iedereen evenveel speeltijd. Je mag net zo veel wisselen als je wilt, maar wissel niet een zwakkere speler om een overwinning veilig te stellen. Vaak wisselen creëert ook chaos in het veld. Schep van tevoren duidelijkheid. ‘Elke speler wisselt één keer per helft. Niemand staat een hele helft reserve.’

Veel jonge spelers vinden het leuk om aanvoerder te zijn.

De wedstrijdbespreking

Straal tijdens de wedstrijdbespreking vooral uit: we hebben er zin in! Spelers komen om te voetballen, niet om naar jou te luisteren. Alles wat jij zegt moet daarom welgekozen zijn. Kies voor twee of drie algemene accenten die voor iedereen gelden. Pik er niet één individu uit, en stel hem zeker niet als negatief voorbeeld.

De kleedkamer moet een veilige omgeving zijn. Waak tegelijk voor een onsamenhangend verhaal. Buiten de algemene accenten stel je één of twee doelen binnen de hierboven genoemde structuur van voetballen, in aanvallen en verdedigen.

Houd bij de bespreking en kort voor de aftrap de volgende zaken in je achterhoofd:

  • Sfeer. Begin de voorbespreking met een enthousiast compliment aan het team door bijvoorbeeld te refereren aan de laatste training, of de vorige wedstrijd. ‘Verdedigers hielpen goed mee met aanvallen en aanvallers hielpen mee met verdedigen, doe dat allemaal deze wedstrijd ook weer!'
  • Doel van de wedstrijd. Bespreek samen met je spelers wat je verwacht en welke doelen je stelt voor deze wedstrijd. Gebruik hiervoor de structuur van voetballen en bepaal samen één of twee doelen binnen aanvallen en verdedigen. Refereer hierbij ook aan de laatste training en de doelen die daar behandeld zijn.

De houding naar de tegenstander en scheidsrechter

Als trainer geef jij het goede voorbeeld richting de tegenstander en de scheidsrechter. Straal naar je spelers uit hoe jij de spelers van de tegenstander ziet: je hebt ze nodig voor een leuke wedstrijd. Ontvang de tegenstander; maak tijdig kennis met de begeleiding, onthoud zijn naam en maak een praatje.

Maak duidelijke afspraken met je spelers over het omgaan met de scheidsrechter.

Maak ook duidelijke afspraken met je spelers over het omgaan met de scheidsrechter  en grensrechters: geen discussie, respecteren, accepteren. Spelers die mopperen of erger worden gewisseld. Maak zelf kennis met de scheidsrechter. Spreek de verwachting uit van een sportieve wedstrijd, de tegenstander voelt zich dan aangesproken. Laat ook de spelers elkaar een prettige, sportieve wedstrijd wensen.

Geef vanaf O15 de aanvoerder een rol voor het geval de sfeer straks in de wedstrijd dreigt om te slaan, steun hem als het erop aan komt in woord en daad.


Terug naar boven