Maak speler regisseur van hun eigen leerproces

Als trainer-coach heb je allerlei kennis in huis waarmee je spelers kunt helpen om zich te ontwikkelen. Het gevaar bestaat echter wel dat spelers de tips van de trainer opvolgen zonder er zelf verder al te veel bij na te denken. Daarmee nemen ze weinig verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces.

Wietske Idema en Marjolein Torenbeek ontwikkelden de methodiek ZIPcoach voor trainers om de zelfregulatie bij spelers te bevorderen. De Voetbaltrainer ging met ze in gesprek en vroeg Hidde van Boven om aan te schuiven. Hij leerde de fijne kneepjes van Idema en Torenbeek en werkt als trainer van FC Utrecht onder 13 wekelijks met ZIPcoach.

Wat is zelfregulatie precies?

Marjolein Torenbeek: ‘Zelfregulatie betekent dat een sporter de regisseur is van zijn eigen leerproces. Hij denkt na over de voortgang van zijn ontwikkeling en neemt zelf initiatief om zijn ontwikkeling te bevorderen. Hij maakt daarbij gebruik van een aantal vaardigheden: reflecteren, doelen stellen, plannen, monitoren en evalueren.’

Zelfregulatie aanleren vergt maatwerk en is ook afhankelijk van de competenties van een speler.

Wietske Idema: ‘Wat zelfregulatie in elk geval níet is, is dat een speler alles zelf mag bepalen. Je hebt als trainer een belangrijke rol in de begeleiding van een speler bij het ontwikkelen van zelfregulatieve vaardigheden: je ondersteunt hem continu in het proces dat hij doorloopt. Je geeft duidelijk aan wat je van hem verwacht, maar laat hem zelf meedenken over de uitvoering ervan. Een speler leert de vaardigheden reflecteren, doelen stellen, plannen, monitoren en evalueren. Als trainer kun je spelers hierin uitdagen.

Wat je ziet, is dat trainers veelal directieve aanwijzingen geven: doe dit zus, doe dat zo. Wat je wilt, is dat spelers zelf meedenken. Dát zorgt ervoor dat ze beter worden. Dat hoef je niet de hele week van ze te vragen. Het is zelfs beter van niet, want anders creëer je een overload en dat werkt averechts. Als docent onderzocht ik regelmatig wat werkt en wat niet. De ene klas overlaadde ik met zelfregulatie, bij de andere klas bracht ik het er heel gedoseerd in. Dat tweede werkte veel beter. Studenten willen soms ook gewoon geïnstrueerd worden en niet continu zelf nadenken. Hetzelfde geldt voor sporters.’

Hidde van Boven: ‘Zelfregulatie aanleren vergt maatwerk en is ook afhankelijk van de competenties van een speler. Iedere speler leert immers op zijn eigen manier. Dit gegeven bepaalt welke leiderschapsstijl je kunt hanteren. Soms kun je beter open vragen stellen, een andere keer beter directief de structuur aanbieden.’

Wat gebeurt er wanneer je als trainer op de juiste manier de zelfregulatie van je spelers bevordert? Hoe zie je dat terug in hun gedrag?

Zelfregulatie leidt onder meer tot een hoger uitvoeringsniveau, een hogere betrokkenheid en meer plezier onder spelers

‘Er is in de wetenschap veel onderzoek gedaan naar de gevolgen van het bevorderen van zelfregulatie. Zelf heb ik dat ook onderzocht. Zes weken lang gingen we er intensief mee aan de gang bij FC Utrecht en de resultaten spraken voor zich. De spelers toonden meer focus en concentratie, hun uitvoeringsniveau lag hoger, er was meer enthousiasme en succesbeleving, de spelers durfden meer fouten te maken, hielpen elkaar meer, toonden een hogere betrokkenheid, wilden meer bereiken en hadden meer plezier. Ik zag het trainingsgedrag van mijn spelers met de week verbeteren.’

Om aan zijn zelfregulatie te werken, is een speler bezig met reflecteren, doelen stellen, plannen, monitoren en evalueren. Wat houden die vaardigheden in?

Marjolein Torenbeek: ‘Bij reflecteren, doelen stellen en plannen ben je bezig met de voorbereidingsfase: een speler bedenkt waarin hij zich nog kan ontwikkelen, stelt een bijbehorend doel en denkt na over de manier waarop hij dat doel kan bereiken. In de uitvoeringsfase gaat hij ermee aan de slag. In die fase is hij bezig met monitoren (Hoe gaat het?) en met reflecteren (Hoe komt dat?). In de verbeterfase vraagt hij zich af of hij zijn doel heeft behaald (evalueren), waarom dat wel of niet lukte en zo niet, hoe hij er de volgende keer voor kan zorgen dat het wél lukt (reflecteren).’

Reflecteren komt dus in elke fase terug. Wat houdt het precies in?

Wat zelfregulatie in elk geval níet is, is dat een speler alles zelf mag bepalen

‘Reflecteren betekent terugkijken op een bepaalde situatie, analyseren wat er gebeurde en waarom dat gebeurde. Die informatie gebruik je voor wat er komen gaat. Reflecteren kan betrekking hebben op één bepaalde actie, zoals een pass, maar ook op een langere periode, zoals een seizoen. Een speler analyseert wat er gebeurt en vraagt zich af wat zijn eigen rol daarin is: wat gaat er goed en wat kan er beter? Hij denkt ook na over de rol van andere spelers en de omgeving. Het is belangrijk dat zijn analyse overeenkomt met de werkelijkheid. Sommige spelers kunnen goed vertellen wat de trainer wil horen. Dan ben je geneigd te denken: “Zo, die kan goed reflecteren!”, terwijl de speler eigenlijk niet zelf heeft nagedacht.’

Wietske Idema: ‘Een speler reflecteert zelf, maar de trainer schept daar de voorwaarden voor. Als een speler iets wil zeggen over de lange bal, moet hij wel weten wat daarbij belangrijk is en waaraan een lange bal moet voldoen. De trainer is op dat gebied de specialist, die kan daar zinnige dingen over zeggen. Vervolgens is het aan de speler om zijn eigen functioneren tegen het licht te houden, afgezet tegen de kaders die de trainer heeft geschetst. Hoe zette ik mijn standbeen neer? Waar raakte ik de bal? Hoe was de hoogte van de bal, en de snelheid? Als een speler daarvóór niet aangereikt krijgt wat de trainer eigenlijk verwacht, is het voor hem veel moeilijker om aan te geven wat er gebeurde en wat beter kon.’

De trainer legt uit wat er nodig is bij een bepaalde voetbalhandeling, de speler gebruikt die informatie om te reflecteren

Hidde van Boven: ‘Reflecteren is overigens zeker niet alleen bedenken wat er beter moet. Het is ook inzien wat al goed gaat. Als trainer moet je daar voldoende aandacht aan schenken. In de nabespreking van een wedstrijd kun je bijvoorbeeld vragen naar de goede momenten in het drukzetten op de helft van de tegenstander. Tijdens een training kun je vragen wat een speler al wél goed kan in een bepaalde trainingsvorm. En tijdens de videoanalyse kun je een speler vragen om het beeld stop te zetten als hij een goede lange bal geeft. Het doel daarvan is dat hij een realistisch beeld van zichzelf creëert en leert van succesmomenten. Daarbij wordt er uiteraard ook aandacht geschonken aan verbeterpunten. Wat doe ik nu en wat kan er beter?

Doe je dat in de groep, dan moet je ervoor zorgen dat alle spelers meedenken. Dat kun je doen door een vraag te stellen, iedereen er individueel over te laten nadenken en vervolgens iemand de beurt te geven. Het is erg belangrijk om daarbij open vragen te stellen. De antwoorden die je krijgt, zijn lang niet altijd meteen raak. Dan is het een kwestie van goed luisteren naar wat er gezegd wordt en erop doorvragen. Je moet niet te snel tevreden zijn met een antwoord. En je moet oppassen dat je niet je eigen mening geeft, je wilt spelers juist zelf laten nadenken.’

'Wat ik regelmatig doe, is tweetallen vormen. Twee spelers doen samen een oefening. Daarna komen ze samen om te sparren over hoe het ging.'

Wietske Idema: ‘Als je bezig bent met reflecteren, wil je dat spelers nadenken over hun eigen functioneren. Het kan gebeuren dat je je totaal niet herkent in een antwoord. Dan sta je voor een dilemma: je wilt liever dat het gesprek een andere kant opgaat, maar ook niet te veel bijsturen. Dan moet je als trainer goed bedenken wat je doet. Je kunt best eens zeggen: “Ik vind van niet.” Dan stap je van het zelfregulatiepaadje af en neem je een andere, meer directieve, afslag. Maar daarmee moet je wel oppassen. Je vraagt een speler zelf na te denken en neemt het gesprek dan toch over. Het gevaar bestaat dat spelers de volgende keer verzanden in sociaal wenselijke antwoorden. Dat is een spanningsveld waarin je je begeeft.’

Marjolein Torenbeek: ‘Reflecteren kan tijdens veel verschillende trainingsvormen. Een pass- en trapvorm bijvoorbeeld. Als je met twintig spelers op het veld staat, is het bevorderlijk dat je de groep opdeelt, bijvoorbeeld in vier groepjes van vijf spelers. Bij één groepje leg je de oefening stil en vraag je: “Wat gebeurt hier nu? En waarom gebeurt dit?” Dan ga je naar een volgende groep. Zo staan er slechts vijf spelers stil en niet tien of twintig.’

Hidde van Boven: ‘Wat ik regelmatig doe, is tweetallen vormen. Twee spelers doen samen een oefening. Af en toe komen ze samen om te sparren over de manier waarop de oefening verloopt. Wat gebeurt er? Wat gaat er goed? Wat gaat er minder goed? Door daarover in gesprek te gaan, leren ze om reflecterend naar de situatie te kijken. Dat doe ik ook regelmatig met een linie in plaats van tweetallen. De spelers binnen die linie reflecteren dan op een specifiek thema dat centraal staat in de trainingsvorm.’

Een doel stellen is bedenken wat je wilt bereiken en gelukkig worden van die gedachte

Wietske Idema: ‘Bij reflecteren gaat het er vooral om dat je de juiste vragen stelt. Die moeten niet suggestief zijn. Als je een bepaald antwoord wilt horen van een speler, vraag je dan af of je wel een vraag gaat stellen. Het gevaar bestaat namelijk dat je een directieve aanwijzing verpakt als een suggestieve vraag. Terwijl je bij het reflecteren juist wilt bereiken dat spelers vrijheid voelen om zelf na te denken over wat er gebeurde en beter kon.

Voor de ene trainer is dit veel gemakkelijker dan voor de andere. Ik begeleidde eens een trainer die het al heel lastig vond om simpelweg aan zijn spelers te vragen hoe het ging. Dat was al een hele stap voor hem. Wellicht schrok het hem af dat hij niet wist wat zijn spelers daarop zouden antwoorden en was hij bang de controle uit handen te geven. Dat is niet erg: ook deze trainer is in kleine stappen beter geworden in het bevorderen van zelfregulatie.’

De tweede vaardigheid is doelen stellen. Wat is daarbij belangrijk in relatie tot het bevorderen van zelfregulatie?

‘Een doel stellen is in het kort: bedenken wat je wilt bereiken en gelukkig worden van die gedachte. De studenten waaraan ik lesgaf, vonden het vaak niet leuk om doelen te stellen. Terwijl het een middel is om iets te bereiken wat je echt graag wilt. Je hoort trainers vaak zeggen: Wat is je doel? Die vraag kun je beter iets anders formuleren. Waar zie jij jezelf, waar wil je naartoe, wat wil je bereiken?’

'Het kan erg helpen als je kinderen een aantal keuzes geeft welk doel zij willen halen'.

Marjolein Torenbeek: ‘Om aan zelfregulatie te werken, is het belangrijk dat een doel aan vier voorwaarden voldoet. Allereerst moet het doel gericht zijn op het verbeteren van de eigen prestatie of op de uitvoering van een techniek of strategie. Als er een resultaatdoel centraal staat, zoals winnen van een ander, is werken aan zelfregulatie minder geschikt. Daarbij moet een doel concreet zijn. Is dat niet het geval, dan is het onvoldoende duidelijk wat er precies verbeterd moet worden. Een speler kan bijvoorbeeld vertellen dat hij aanvallend beter wil worden. Maar wat betekent dit concreet voor hem? Ten derde moet een doel uitdagend zijn. Spelers moeten zich realiseren dat ze het doel kunnen halen, maar daarvoor wel erg hun best moeten doen. Ten slotte moet een doel meetbaar zijn. Daar bedoelen wij mee dat de speler en de trainer weten wanneer het doel behaald is.’

Aan het gestelde doel koppelt een speler vervolgens een planning.

‘Dat is inderdaad de volgende stap. Voor een langetermijndoel vraagt hij zich een aantal dingen af. Hoe groot is het verschil tussen mijn huidige niveau en het gewenste niveau? Hoeveel tijd is er nodig om dat verschil te overbruggen? Wie kan ik daarbij gebruiken, wat voor materialen heb ik nodig? De speler bedenkt tussenstappen en zet die vervolgens in de juiste volgorde: wat komt er eerst en wat komt daarna? Op korte termijn, wanneer een speler een doel heeft in een bepaalde trainingsvorm, is plannen het kiezen van een focus binnen de beschreven acties.’

Soms is even oogcontact maken al genoeg om een speler eraan te herinneren dat hij bezig is een bepaald onderdeel van zijn spel te verbeteren

Hidde van Boven: ‘Onlangs ging ik met mijn spelers aan de slag met het over de bal heen kijken. Over het algemeen hebben spelers die nog geen baas over de bal zijn moeite zich te oriënteren op de ruimte om zich heen. Je kunt als trainer dan beter eerst kleinere doelstellingen kiezen die uiteindelijk bijdragen aan het beter over de bal kijken. Wat je in elk geval wilt, is dat ze er ook zelf over nadenken en dat ze ergens gericht naartoe werken. Je kunt spelers daarin ook keuzes geven. Ga je je nu meer richten op het vooraf over je schouder kijken of op je eerste aanname? Het is voor jeugdspelers vaak heel lastig om te bedenken hoe ze in een bepaalde trainingsvorm aan hun leerdoel kunnen werken. Daar probeer je ze als trainer bij te helpen. Hieruit blijkt dus ook weer dat de nadruk leggen op zelfregulatie bij spelers niet betekent dat je als trainer een stapje terugdoet.’

Wietske Idema: ‘Zoals Hidde al aangeeft, kan het inderdaad erg helpen als je ze een aantal keuzes geeft. Dat kun je bijvoorbeeld vormgeven door drie opties op een bord te schrijven. Elke speler schrijft vervolgens zijn naam onder een bepaalde optie. Daarop tekenen ze zich dus in, waarmee ze toewijding creëren. Hun naam staat eronder, dus willen ze er wel iets van maken. Op een bepaald moment in de training vraag je ze of ze hun doel hebben behaald. Is dat het geval, dan zetten ze een vinkje en gaan ze bezig met een ander doel. Je ziet spelers dan soms echt kritisch naar zichzelf kijken: Heb ik dit gehaald? Nee, ik wil er nog even mee aan de slag.’

Na de voorbereidingsfase, waarin reflecteren, doelen stellen en plannen centraal stond, gaat de speler aan de slag en monitort hij de voortgang. Wat houdt dat in?

‘Monitoren betekent dat je de voortgang van het proces in de gaten houdt. Dat kan op lange termijn zijn: Ben ik inderdaad halverwege? Maar het kan ook gaan om een bepaalde trainingsvorm. Ben ik bezig aan mijn doel te werken? Hoe gaat dat? Doe ik het op de juiste manier? Dat gebeurt niet alleen als je de trainingsvorm even stillegt, maar ook als deze aan de gang is. Tijdens een pass- en trapvorm bijvoorbeeld. Als een speler de bal aanneemt en een pass geeft, is hij volledig gefocust op de uitvoering daarvan. Maar als de bal van zijn voet is vertrokken, en hij loopt naar de volgende pylon, is er wel even tijd om te monitoren. Keek ik even over de bal heen voordat ik de pass verstuurde? Was de pass op het juiste been, met de juiste snelheid? Je bent dan als speler continu aan het schakelen tussen denken en doen.’

Marjolein Torenbeek: ‘Als trainer hoef je in deze fase soms alleen maar even oogcontact te maken. Voor andere spelers werkt het beter als je de vorm na vijf of tien minuten even stillegt en vraagt hoe het gaat. Sommige spelers komen zelf naar je toe: Hoe kan ik dit beter doen? Het verschilt erg per speler welk gedrag hij laat zien. De een werkt misschien onbewust al veel aan zelfregulatie, terwijl het bij een andere speler al een hele vooruitgang is als hij af en toe van het trainingsveld stapt met een idee van: hierin wil ik me verbeteren.’

In de derde fase, de verbeterfase, is een speler bezig met evalueren. Wat is daarbij belangrijk?

Met zelfregulatie krijgt bijvoorbeeld een rondo veel meer betekenis’

‘Evalueren duurt in principe nog geen vijf seconden. Het gaat er puur om dat een speler zich afvraagt of hij zijn doel wel of niet heeft gehaald. Als dat doel meetbaar was, kost evalueren heel weinig tijd. Je wilt natuurlijk het liefst dat de evaluatie klopt, maar voor sommige spelers is het al heel fijn als ze zich überhaupt afvragen of ze ergens in zijn geslaagd of niet. Als je vervolgens met ze bespreekt hoe het kan dat ze hun doel wel of niet hebben behaald, ben je eigenlijk alweer aan het reflecteren. Daar leren ze weer iets van voor de volgende keer.’

Hidde van Boven: ‘Na reflecteren, doelen stellen, plannen, monitoren en evalueren, houd je je bij voorkeur opnieuw bezig met reflecteren. De kern daarvan is dat spelers zich bewust worden van de reden dat iets wel of niet lukte. Dat gebruik je dan weer in de volgende training of wedstrijdbespreking: Weet iemand nog wat we vorige keer deden? Hoe ging dat? En wat betekent dat voor deze training of wedstrijd? Het is niet bevorderlijk om, bijvoorbeeld tijdens een training, na het evalueren en reflecteren direct weer door te schakelen naar een nieuw doel, want daar kan het chaotisch van worden. Het is goed om spelers ook even wat tijd te gunnen om te verwerken wat ze hebben gedaan en geleerd.’

Welke trainingsvormen zijn bij uitstek geschikt om te werken aan zelfregulatie?

Wietske Idema: ‘Dat kan op veel manieren, bijvoorbeeld in een rondo waar veel trainingen mee beginnen. Wat ik vaak zie, is dat spelers naar zo’n rondo toe lopen zonder een idee te hebben waarom ze dat doen. Het is een soort spelletje waarbij veel wordt gelachen. Dat kan natuurlijk prima als onderdeel van de warming-up. Maar als je een speler eens vraagt wat een rondo hem kan opleveren, dus op welke manier hij in een rondo kan werken aan zijn verbeterpunten, dan zie je een hele andere focus. Zo kun je eigenlijk elke oefening met ZIPcoach een extra lading geven.’

'Wat ik vaak zie, is dat spelers naar zo’n rondo toe lopen zonder een idee te hebben waarom ze dat doen'.

Hidde van Boven: ‘Je kunt ook een thema nemen waarmee je als groep bezig bent en daar elementen uitpikken die gelden voor een bepaalde linie of speler. Stel dat je als team bezig bent om het drukzetten op de helft van de tegenstander te verbeteren. Voor de verdedigers geldt dan bijvoorbeeld dat ze beter moeten samenwerken in het aansluiten richting de middenlijn. Het kan ook een individueel doel zijn: een middenvelder merkt dat hij vaak het goede moment kiest om druk te zetten op zijn directe tegenstander, maar wordt uitgespeeld als hij de bal wil veroveren. De tegenstander draait dan bij hem weg en komt zo onder de druk uit. Voor zo’n speler kan het individuele verbeterpunt zijn om beter druk te zetten in een een-tegen-eenduel. Die losse verbeterpunten leiden ertoe dat het gehele team beter druk kan zetten. Het ontwikkelen van zelfregulerend gedrag en leiderschap gerelateerd aan voetbalhandelingen is daarom een belangrijke pijler binnen de jeugdopleiding van FC Utrecht.’

Hoeveel aandacht schenk je als trainer aan het werken aan zelfregulatie?

‘Voor het werken aan zelfregulatieve vaardigheden is veel concentratie vereist; spelers houden het niet lang vol. Expliciet, dus op een manier dat de spelers zich hiervan bewust zijn, werk ik daarom gemiddeld slechts tijdens één oefenvorm in de week aan zelfregulatie, ongeveer twintig minuten lang. Op impliciete wijze ben je er echter de hele trainingsweek mee bezig. Door de juiste vragen te stellen en de juiste feedback te geven worden spelers beter in de zelfregulatieve vaardigheden zonder dat ze doorhebben dat ze hieraan werken. Dat noem ik ook wel ‘stiekem leren’ en dat is heel effectief, omdat het veel minder uitputtend is dan het expliciet aanleren van zelfregulatie.’

Ik werk slechts tijdens één oefenvorm per week expliciet aan het verbeteren van zelfregulatieve vaardigheden

Wietske Idema: ‘Je moet er inderdaad zeker niet te veel mee bezig zijn. Dat hoeft ook niet, want op een gegeven moment wordt het inzetten van de vijf vaardigheden een automatisme. Dat is uiteindelijk wat je wilt bereiken. Dan komen spelers naar de training en zeggen ze: “Vandaag ga ik werken aan mijn aanname”.’

Stel dat een trainer vandaag nog aan de slag wil gaan met het werken aan zelfregulatie. Wat zouden jullie hem adviseren?

Marjolein Torenbeek: ‘Begin eens met een simpele trainingsvorm, waarin spelers zich volledig kunnen richten op het verbeteren van hun eigen vaardigheden en waarbij winnen niet centraal staat. Vraag elke speler om daarin een persoonlijk accent te leggen en pols vervolgens bij iedereen minimaal eenmaal hoe dat gaat. Om zelfregulatie te bevorderen, hoef je niet alle vijf vaardigheden ineens te doorlopen. Je kunt bijvoorbeeld heel goed beginnen met alleen reflecteren of doelen stellen. Uiteindelijk is het voor iedereen een kwestie van proberen. Lukt het niet meteen, denk dan niet: ik kan het niet of mijn spelers kunnen het niet. Het kost iedereen tijd om het onder de knie te krijgen.’

Samenvatting

  • Door zelfregulatie te bevorderen worden spelers regisseur van hun eigen leerproces, waardoor ze onder meer beter presteren en meer plezier hebben.
  • Zelfregulatie betekent niet dat je als trainer een stapje terugdoet: je bent juist heel hard nodig om het proces in goede banen te leiden.
  • Spelers maken gebruik van vijf vaardigheden: reflecteren, doelen stellen, plannen, monitoren en evalueren.
  • Zelfregulerend werken vergt veel concentratie van de spelers. Het volstaat daarom om er op expliciete wijze twintig minuten per week mee bezig te zijn.
  • Het bevorderen van zelfregulatie kan als team, als linie of als individu. Als trainer laat je spelers meedenken over hun ontwikkeling door de juiste vragen te stellen.

TrainersinformatieTrainer ben je niet alleen tijdens de trainingen en wedstrijden, ook gedurende het gehele seizoen heb jij een bepalende rol in het voetbalplezier van een speler.De VoetbaltrainerDe Voetbaltrainer is al meer dan 35 jaar het meest gelezen vakblad voor trainers, jeugdleiders, coaches, managers en docenten in Nederland en België.


Terug naar boven