Tijdens de wedstrijd

Laat je tijdens de wedstrijd niet beïnvloeden door de stand of door gebrul van mensen langs de lijn. Volg de wedstrijd in stilte, concentreer je op de voetbalhandelingen van je spelers, coach alleen de spelers die de bal niet hebben en de wisselspelers naast je langs de lijn.

Stel jezelf op langs de zijlijn en observeer zo lang mogelijk in stilte. Onthoud de hoofdzaken die je opvallen in het aanvallen en verdedigen, eventueel uitgewerkt in het opbouwen, scoren, storen en doelpunten voorkomen en de individuele voetbalhandelingen met bal die daarbij horen.

Dat valt niet mee, je raakt al snel verstrikt in wat je allemaal ziet en wat je tegen je spelers zou willen zeggen. Het is ook niet verstandig om tijdens de wedstrijd je oordeel te geven over ‘goede’ of 'slechte’ acties. Dat voelen de betrokken spelers zelf heus wel aan.

Het is niet verstandig om tijdens de wedstrijd je oordeel te geven over ‘goede’ of slechte’ acties.

In plaats daarvan maak je een keuze voor enkele accenten die je tijdens het spel, in de rust of tijdens de training aan de orde laat komen. Doe dit steeds met in het achterhoofd de structuur van voetballen: aanvallen en verdedigen. Om je spelers beter te leren voetballen, helpt onderstaande analyse je met het vinden van de verbeterpunten.

Kijken naar aanvallen

Bedenk welke accenten bij de vorige wedstrijd en op de training aan de orde zijn gekomen. Wat wilden we bereiken? Stel jezelf vier vragen over het aanvallen.

  • Scoren. Als een speler in kansrijke positie de bal krijgt, lukt het hem dan om te scoren?
  • Kansen creëren. Als we de bal op de helft van de tegenpartij hebben, lukt het dan om kansen te creëren?
  • Naar voren spelen. Als we de bal op eigen helft hebben, lukt het dan om een speler op de helft van de tegenpartij aan te spelen?
  • Bal houden. Als één van mijn spelers de bal heeft, lukt het ons dan om de bal in de ploeg te houden of schieten we de bal zomaar weg?

Kijken naar verdedigen

  • Doelpunten voorkomen. Als een tegenspeler in kansrijke positie de bal krijgt, lukt het dan een doelpunt te voorkomen?
  • Storen. Wanneer we op eigen helft verdedigen, lukt het dan te voorkomen dat de tegenpartij kansen krijgt?
  • Druk zetten. Als we verdedigen op de helft van de tegenpartij, lukt het dan om te voorkomen dat ze een speler kunnen aanspelen op onze helft?
  • Bal afpakken. Als een speler van de tegenpartij de bal heeft, lukt het ons dan de bal af te pakken?

Je ziet dat verdedigers meermaals de bal niet rustig aannemen en een aanspeelbare medespeler zoeken, maar in plaats daarvan de bal wild naar voren schieten. Eén van de twee aandachtspunten die je vooraf al benoemde. Onthoud dit punt voor de bespreking in de rust. Je ziet vast nog meer punten, maar dat is voor de training of een volgende wedstrijd. Beter één ding goed gedaan, dan tien dingen half.

Beter één ding goed gedaan, dan tien dingen half.

Zet de antwoorden op deze vragen voor jezelf op een rij, bedenk wat goed gaat en wat een volgende keer beter zou kunnen. Heb daarbij oog voor de rol van de tegenpartij. De ene wedstrijd krijgt je team veel kansen en maakt het doelpunten, een volgende keer wordt je team teruggedrongen en komt het de eigen doelmond niet uit. Komt dit omdat je team matig verdedigt, of valt de tegenpartij gewoon goed aan? Waarom lukt het niet om weerstand te bieden? Wat kunnen spelers aan de bal beter doen? Wat kunnen spelers zonder de bal beter doen?

Wedstrijdtaal

Houd je opmerkingen gericht op aanvallen en verdedigen tijdens de wedstrijd simpel. Oefen de termen die je hierbij gebruikt eerst op de training.

Aanvallen

  • ‘Groot maken' of ‘uit elkaar’. Speelruimte zo lang en breed mogelijk maken. De spitsen moeten zo diep mogelijk spelen. De links- en rechtsbuiten moeten het veld goed breed en diep houden.
  • ‘Diepte’. Middenvelders en verdedigers moeten steeds kijken of de bal vooruit richting de spitsen kan worden gespeeld.
  • ‘Bal houden’. Voorwaarde om kansen te creëren. Trainer-coaches leggen vaak de nadruk op het voorkomen van risico’s en moedigen ten onrechte aan tot het spelen van de ‘lange bal’. Spelers schieten veroverde ballen dan zomaar weg of uit. Stimuleer spelers eerst de bal aan te nemen, eventueel af te schermen van een tegenstander en de bal daarna in het team te houden.
  • 'Posities houden'. Veldbezetting zo optimaal mogelijk houden. Pupillen hebben soms moeite om met elkaar de ruimte goed te bespelen.

Verdedigen

  • ‘Klein maken' of ‘dicht bij elkaar’. Speelruimte zo kort en smal mogelijk maken. Speel dicht bij elkaar, dan kunnen de spelers elkaar snel helpen.
  • ‘Naar de bal toe’. Druk zetten om te voorkomen dat de tegenpartij de bal kan overspelen en om de bal af te pakken.
  • ‘Scherp dekken’ of ‘dichter bij je tegenstander’. Als de bal in de buurt is en de spits van de tegenpartij de bal kan ontvangen, moet de centrale verdediger kort dekken.
  • ‘Geef rugdekking aan elkaar’. Het team moet niet alleen de ruimte klein maken in de lengte van het veld, maar ook in de breedte.
  • ‘Doe weer mee’. Zo lang mogelijk nuttig blijven. Wanneer de spitsen van jouw team zijn uitgespeeld, kunnen ze toch de middenvelders ondersteunen door spelers van de tegenpartij op het middenveld in te sluiten.

Beïnvloeden tijdens de wedstrijd

Alles wat je zegt moet welgekozen zijn, pik uit de talloze situaties alleen de belangrijkste zaken

Terwijl je de wedstrijd observeert, is er de mogelijkheid je spelers te beïnvloeden. Baseer je aanwijzingen langs de lijn op wat je ziet. Alles wat je zegt moet welgekozen zijn, pik uit de talloze situaties alleen de belangrijkste zaken.

Haak aan op de thema’s of de accenten binnen aanvallen en verdedigen. Benoem zaken die je al eens eerder onder de aandacht hebt gebracht. En sluit aan bij het niveau en de belevingswereld van de spelers. Bij O9 heb je het vooral over hun voetbalhandelingen (aannemen, dribbelen en passeren, passen), bij O13 over hun taak in het elftal en het samenwerken met andere spelers.

Do´s en don´ts bij het geven van aanwijzingen

  • Controleer steeds of het zinvol is wat je zegt. Zie je dat de speler of het team zich verbetert na iets wat je hebt gezegd? Herhaal een opmerking geen drie keer als je geen effect ziet. De speler zelf maakt de keuzes in het veld, niet jij. Het spel is onvoorspelbaar, voorprogrammeren is zinloos.
  • Richt je alleen op structurele zaken die beter kunnen, coach niet op incidenten of na een mislukte actie. Hoe goedbedoeld ook, het leidt een speler vooral af.
  • Snelle tegendoelpunten? Met geroep bereik je de meeste spelers niet en als ze je al verstaan, worden ze er al snel doof voor. Wil je toch graag iets zeggen, noem dan eerst de naam, houd het herkenbaar en simpel en wijs niet op zonneklare ‘foutjes’. Laat hen daar in stilte van leren.
  • Stap niet binnen de lijnen, keer je nooit af van het spel, maak geen wegwerpgebaar. Roep geen dingen als ‘natte-krantenbal’ of ‘patatbenen’. Daar lachen spelers wel om, maar ze voetballen er niet beter door. Ook zinloos: ‘De bal moet er wel in hoor!’
  • Bevraag liever wissels die naast je staan. Kijk samen met hen naar het spel. Zij hebben alle aandacht voor jouw lessen.
  • Dit betekent niet dat je spelers moet laten aanrommelen. Je ziet dat jouw middenvelder te ver van zijn man staat. Zo kan de centrale middenvelder van de tegenpartij de bal steeds achter de laatste linie spelen. ‘Teun, dichter bij hem staan. Houd druk op de bal, goed zo!’

Terug naar boven