3 tegen 2 met 4 doeltjes

O10 & O11
5 - 9 spelers
¼ veld

Doel

Dieptespel in opbouw verbeteren.

Organisatie

  • Lengte: 20 meter
  • Breedte: 30 meter
  • Beide teams kunnen scoren op twee kleine doeltjes
  • Als de bal uit is, indribbelen of inpassen voor de aanvallers, indribbelen voor de verdediger. 3e keer uit is doorwisselen
  • Bij een doelpunt, achterbal of hoekschop starten in het midden tussen de twee doeltjes door het drietal
  • (eventueel) doorwisselen na elk doelpunt, achterbal of hoekschop
  • Na verloop van tijd wisselen team A en B van rol
4 voetballen
4
4 pilonnen
4
4 mini doelen van 3 bij 1 meter
4
4 blauwe hesjes, 5 oranje hesjes
9
10 gele hoedjes
10
Hoe ziet deze oefening eruit?

Hoe ziet deze oefening eruit?

1:03 min

Makkelijker of moeilijker maken

Aanvallen moeilijker maken

  • Veld smaller maken
  • Doeltjes tweetal dichter bij elkaar plaatsen
  • 4 tegen 3 met 4 doeltjes

Aanvallen makkelijker maken

  • Veld breder / langer maken
  • Doeltjes verder uit elkaar zetten
  • Verdediger start halverwege speelveld (meer ruimte en tijd)
  • 2 tegen 1 met 3 doeltjes (smal veld)

Bedoeling van deze oefening

KARAKTERISTIEK

  • Scoren door te passen / schieten in een van de twee kleine doeltjes
  • Door middel van dribbelen, aannemen en passen in kansrijke positie komen

EISEN AAN HET SPEL

  • Het aannemen, controleren van de bal en dribbelen richting de doeltjes van de tegenpartij
  • Zodra de bal vrij is (binnen schotafstand), schieten / passen in een van de twee doeltjes
  • Overzicht in de situatie waarheen te dribbelen, waar staan veel en waar staan weinig spelers
  • De bal steeds onder controle houden, veranderen van richting en versnellen
  • Kiezen van het moment en de richting van de passeeractie
  • Afsnijden van de pass van de tegenstander en het afschermen van de bal
  • Dribbelen (soms) afwisselen met passen naar medespeler

Tip

  • Zorg ervoor dat eventuele wisselspelers steeds staan opgesteld in het wisselvak
  • Door snelle wisselingen speelveldgedeelte kunnen scoringskansen worden gecreëerd

Wat wil en kan de O10 & O11 speler?

 
 

De O10 & O11-speler:

1. IS ENTHOUSIAST EN ONGEDULDIG. Hij wil bewegen, niet luisteren. Geef korte, precieze instructies. Bombardeer hem niet met informatie.

2. HEEFT EEN GROTE SPELDRANG. Deze pupillen voetballen om het plezier. Spelenderwijs krijgen ze een grotere handigheid met en zonder de bal.

3. DOET GRAAG NA. Hij is visueel ingesteld en leert een nieuwe beweging het snelst door nabootsing. Doe alles voor.

4. LEERT DOOR TE HERHALEN. Hij wil niet steeds iets nieuws proberen. Hij heeft succes én uitdaging nodig, het moet kunnen lukken én soms mislukken.

5. KRIJGT GRAAG AANDACHT. Laat hem zijn vaardigheden voordoen en gebruik ze als voorbeeld bij een uitleg.

6. HEEFT VEEL VERBEELDING. Laat deze pupillen experimenteren, moedig creativiteit aan, gebruik hun ideeën om de trainingen leuk te maken. Zorg wel voor structuur.

7. KAN VEEL DOEN IN WEINIG TIJD. Hij spant zich graag intens in om zich te kunnen uitleven. Laat hem veel voetballen.

8. KENT OOK FYSIEKE GRENZEN. Bij extreme temperaturen vertonen deze pupillen symptomen van onderkoeling en oververhitting. Zelf overschatten ze zich hierin. Laat ze handschoenen en mutsen dragen. Let op dat er genoeg wordt gedronken.

9. GEEFT ZIJN MENING. Vraag na afloop van elke training aan de pupillen wat ze er wel en niet leuk aan vinden en waarom. Maar niet na elke oefening een hoorcollege.

10. IS DOELGERICHT. Het maken van doelpunten en het voorkomen van tegendoelpunten betekent veel voor deze kinderen. Laat dit in alle oefen- en partijvormen voorkomen. Geef duidelijk aan hoe beide partijen kunnen scoren.

11. WIL SAMENWERKEN. Hij ziet steeds meer het mogelijk gunstige effect in van het overspelen naar een speler die er beter voor staat. Moedig hem hiertoe aan.

12. IS PRESTATIEGERICHT. Geef bij elke oefen- en partijvorm aan hoe er punten kunnen worden gehaald of wat de beloning is.

13. HEEFT EEN ZWART-WIT ZELFBEELD. Zorg voor positieve feedback om het zelfvertrouwen op te bouwen. Kinderen moeten zich succesvol voelen om dingen te willen herhalen. Bouw op succesvolle pogingen.

14. HEEFT BEHOEFTE AAN BIJ ROUTINE EN STRUCTUUR. Voer geleidelijk veranderingen door in de training. Bouw een structuur waarin continuïteit centraal staat, maar ruimte is voor verbeteringen en veranderingen.

15. HEEFT EEN STERK GEVOEL VOOR RECHTVAARDIGHEID. Alle kinderen houden ervan als dingen eerlijk zijn. Stel hoge verwachtingen, maar wees consequent. Zorg ervoor dat persoonlijke situaties en humeur geen effect hebben op je gedrag.

Vergelijkbare oefeningen

Om je bezoek aan onze websites optimaal te laten verlopen, maken wij gebruik van cookies. Cookies om het verkeer over onze sites te analyseren en cookies om (advertentie)inhoud te personaliseren en sociale media content aan te bieden. Natuurlijk vinden wij je privacy belangrijk, daarom kun je deze cookie-instellingen zelf beheren. Hoe wij omgaan met de gegevens die op basis van de geplaatste cookies verkregen zijn, leggen wij uit in onze cookie- en privacyverklaring.