Oversteekspel 2 verdedigers

O6 & O7
8 - 10 spelers
¼ veld

Doel

Ontdekken van lichaam en bal en daarmee gericht handelen.

Organisatie

  • Lengte: 20/25 meter
  • Breedte: 15/18 meter
  • 6 spelers met bal proberen te dribbelen naar de overkant
  • Na het passeren van de verdedigers kunnen de aanvallers alleen punten krijgen wanneer ze over de lijn aan de overkant dribbelen en vervolgens via het ‘slootje’ terugkomen
  • Als de verdediger de bal verovert en de bal onder controle heeft (bal onder de voet) of als de bal van de aanvaller buiten de ruimte komt krijgt de verdediger 1 punt
  • De speler die het eerste 5 punten haalt is de winnaar, de verdediger die in 2 minuten de meeste punten haalt is de winnaar
8 voetballen
8
6 pilonnen
6
2 blauwe hesjes
2
4 gele hoedjes
4
Hoe ziet deze oefening eruit?

Hoe ziet deze oefening eruit?

1:43 min

Makkelijker of moeilijker maken

Aanvallen moeilijker maken

  • Veld smaller maken
  • Maximaal 3 spelers tegelijk mogen dribbelen

Aanvallen makkelijker maken

  • Veld breder / langer maken

Bedoeling van deze oefening

KARAKTERISTIEK

  • Met de bal langs de verdedigers en naar de overkant dribbelen zonder dat de verdedigers de bal afpakt of de bal buiten de ruimte komt

EISEN AAN HET SPEL

  • Overzicht houden in de situatie, waar staan de verdedigers / waar is de ruimte
  • Kiezen van het juiste moment om te dribbelen
  • Bal steeds onder controle houden, veranderen van richting en versnellen met de bal of juist terug gaan naar de beginlijn
  • Kiezen van het moment en de richting van de passeeractie
  • Het afschermen van de bal

Tip

  • Wanneer steeds dezelfde spelers de meeste punten krijgen is het verstandig om teams te maken en het team dat de meeste punten haalt binnen 2 minuten is winnaar
  • Positie kiezen tussen de aanvallers en de lijn
  • Speler(s) met de bal insluiten en dwingen tot het maken van een fout
  • Bal afpakken en controleren (bal op de voet)

Wat wil en kan de O6 & O7 speler?

 
 

KNVB Assist Trainers | Leeftijdspecifieke kenmerken 06 & 07 

 

De O6 & O7-speler:

1. WIL SPELEN. Hij sport niet, hij speelt. Het is niet zijn doel zich te ontwikkelen tot voetballer. Het gaat erom dat hij onbewust en spelenderwijs dingen ontdekt. Maak overal een spelletje van, ook het opruimen van de spullen.

2. HOUDT VAN AVONTUUR. Hij voetbalt omdat hij dat spannend vindt. Hij ervaart zijn omgeving niet als een voetbalveld met afmetingen en regels, maar als een uitgestrekt wonderland.

3. WIL DE BAL HEBBEN. Een enkeling kijkt liever nog even toe en schiet de bal ver weg, maar voor de meeste spelers geldt: waar de bal is moet je zijn. Voor die andere enkeling is de bal al meer een middel om kansen te creëren en doelpunten te maken, maar meestal is de balcontrole nog gering. Vandaar dat ze allemaal bij de bal willen zijn.

4. IS GERICHT OP ZICHZELF. Ik en de rest van de wereld. Gezond egocentrisme, gaat vanzelf over.

5. WERKT NIET SAMEN. De mini-pupil speelt niet over. Accepteer dit. Wat als een speler het wel doet? Dat is erin gehamerd door papa. Stimuleer het dribbelen, het zelf op avontuur gaan.

6. KENT WEINIG REGELS. Van spelbedoeling en competitiereglementen snapt hij nog weinig. Basale spelregels begint hij te begrijpen, al is er weinig oog voor de belijning. Wel weten ze welke richting ze op moeten en dat ze moeten scoren in een doel.

7. HOUDT HET LANG VOL. Maar een uur is lang voor een mini-pupil. Geef veel beurten, hij leert door herhaling. Las wel tijdig rustmomenten of een drinkpauze in.

8. LEERT DOOR TE HERHALEN. Hij wil niet steeds iets nieuws proberen. Hij wil opgaan in de vorm, heeft succes én uitdaging nodig. Dingen moeten lukken én soms mislukken.

9. HEEFT WEINIG GEDULD. Hij wil bewegen, niet luisteren. Bombardeer hem niet met informatie. Geef korte, precieze instructies. Stop met aanwijzingen geven als hij er blijkbaar nog niet voor openstaat.

10. IS SNEL AFGELEID. Een spanningsboog van tien minuten is het maximum. Wissel tijdig van activiteit of spelvorm. Drijft er een luchtballon over? Ga erbij liggen en geniet mee.

11. ZET AANWIJZINGEN NIET OM IN DADEN. Met name aanwijzingen gericht op zijn lijf heeft geen zin. Zeg niet: ‘Standbeen naast de bal, opendraaien na de balaanname.’ Doe alles voor. Hij is visueel ingesteld en leert een voetbalhandeling (aannemen, mikken) door nabootsing.

12. IS VISUEEL INGESTELD. Hij gaat nog meer op in het spel als je het aankleedt als een avontuur. Vertel een kort, spannend verhaal over een leeuw die wordt opgejaagd door een jager en hij doet nog meer zijn best.

13. KRIJGT GRAAG AANDACHT. Laat hem zijn vaardigheden voordoen en gebruik dit als positief voorbeeld bij een uitleg. Help elke speler in zijn eigen tempo.

14. VAART WEL BIJ ROUTINE EN STRUCTUUR. Voer geleidelijk veranderingen door in de training. Bouw een structuur waarin continuïteit centraal staat, maar ruimte is voor verandering. De mini-pupil went pas na enkele weken aan een nieuwe vorm.

15. HEEFT BEHOEFTE AAN GEBORGENHEID. Accepteer dat de O6-speler zomaar van het veld af loopt en mama opzoekt. Laat hem zich thuis voelen in de groep, dan keert hij snel terug. Stimuleer moeders en vaders de rol van spelleider op zich te nemen.

Vergelijkbare oefeningen

Om je bezoek aan onze websites optimaal te laten verlopen, maken wij gebruik van cookies. Cookies om het verkeer over onze sites te analyseren en cookies om (advertentie)inhoud te personaliseren en sociale media content aan te bieden. Natuurlijk vinden wij je privacy belangrijk, daarom kun je deze cookie-instellingen zelf beheren. Hoe wij omgaan met de gegevens die op basis van de geplaatste cookies verkregen zijn, leggen wij uit in onze cookie- en privacyverklaring.